Samen bouwen aan vruchtbare landbouwgrond
Levende en vruchtbare landbouwbodems: met die ambitie voorop wordt in Grenspark Groot Saeftinghe gewerkt aan een regionaal composteringsproject. Het project is gericht op het ondersteunen van landbouwers om met boerderijcompostering aan de slag te gaan en op basis van lokale biomassastromen hoogwaardige compost te produceren. De eerste ervaringen zijn veelbelovend. Peter Koppejan, projectleider Grenspark Groot Saeftinghe bij de provincie Zeeland, vertelt meer over het project.
Pionieren
Het idee voor lokale compostering is ontstaan bij een aantal landbouwers in de regio, via het initiatief ‘Natuurinclusief Zeeuws Bouwplan’. “Daarin zoeken we binnen de reguliere landbouw naar natuurinclusieve maatregelen die passen binnen de bedrijfsvoering van agrariërs," legt Peter uit. “Dat traject loopt inmiddels een aantal jaar. Zo hebben we een netwerk opgebouwd met landbouwers binnen het grenspark. Eén van de deelnemende agrariërs experimenteerde met zelfgemaakte compost. Die compost bleek van hoge kwaliteit met voordelen voor de landbouwbodem. Zo bleken de gewassen van betere kwaliteit, was er een enorme toename aan bodemleven te zien en ook hield de bodem meer water vast,” vertelt Peter.
“De uitdagingen om individueel compost te maken zaten vooral in de transportkosten en het gebrek aan geschikt materieel,” zegt Peter. “Bovendien vraagt compost maken specifieke kennis: welk uitgangsmateriaal (zoals maaisel of takken) is geschikt, in welke verhouding, welke temperatuur is nodig en welke keertechniek gebruik je? Ondanks de positieve ervaringen leek het initiatief toch te stoppen. Dat vonden wij zonde, want de toepassing van compost levert naast de voordelen voor de individuele landbouwbedrijven ook een bijdrage aan maatschappelijke doelen. Daarom zijn we gaan onderzoeken of er toch meer mogelijk was.”
Haalbaarheidsonderzoek naar lokale compostketen
Allereerst werd bij de agrariërs in de regio gepeild of er interesse was om lokale compostering verder te onderzoeken. Die was er. Het Vlaams Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) werd ingeschakeld vanwege hun expertise op dit vlak. “Het afgelopen jaar hebben experts zoals Koen Willekens onderzocht of een lokale compostketen haalbaar is, waarin boeren zelf compost maken van lokaal beschikbare biomassa zoals maaisel uit natuurterreinen, berm- en slootmaaisel en snoeihout,” vertelt Peter. “De resultaten zijn eind juni gepresenteerd tijdens een webinar en in een rapport gepubliceerd. ILVO bevestigt daarin de voordelen van boerderijcompostering op boerderijniveau. Niet alleen als volledige bemestingsvorm, maar ook op maatschappelijk niveau heeft het voordelen doordat de beschikbare voedingsstoffen in de regio blijven. ILVO concludeert daarbij dat boerderijcompostering met lokaal vrijkomende biomassastromen haalbaar kan zijn. Er is in potentie voldoende maaisel en snoeihout in de regio aanwezig om een regionale composteringsketen op te bouwen. ILVO beveelt nadrukkelijk aan om dat collectief via regionale samenwerking op te pakken.”
Eerste stappen richting lokale compostering
Naast het theoretisch onderzoek zijn op drie landbouwbedrijven praktijkproeven uitgevoerd. “Zo konden we ervaren wat er écht komt kijken bij compost maken,” aldus Peter. De drie deelnemende agrariërs, verspreid over het grenspark, hebben intensief gewerkt aan de productie van hoogwaardige compost. “Een groot voordeel is dat je als landbouwer precies weet wat er in je compost zit en dat je kunt bijsturen op temperatuur en CO₂-productie.
We organiseerden ook een aantal demonstraties, zodat agrariërs uit de omgeving met eigen ogen konden zien hoe een compostril wordt opgebouwd en gekeerd. Dat trok veel belangstelling."
De volgende fase
"We onderzochten hoe je kwalitatieve compost maakt, wat ervoor nodig is en of het economisch haalbaar is. We zijn ervan overtuigd dat dat kan! Maar om een regionale composteringsketen op te zetten is samenwerking essentieel. Tussen landbouwers onderling, van akkerbouwers, tot veehouders en fruittelers. Maar ook samenwerking tussen de landbouwsector en landschapsbeheerders. Met opschaling neemt de haalbaarheid toe. De ambitie is om toe te werken naar een duurzame vorm van circulair landschapsbeheer, waarbij landbouw en natuur elkaar versterken.”
Alle betrokkenen bij het onderzoek en de pilots zijn dus positief gestemd. Maar hoe nu verder? Peter: “Voor de volgende fase is extra pionierswerk nodig. We willen nu in de praktijk verder oefenen en ervaring opdoen. Daarom breiden we de pilot uit met meer agrariërs, zowel in Nederland als in Vlaanderen. Onze ambitie is om in beide landen tien deelnemers te vinden die meedoen."
Peter vervolgt: "Deze deelnemers doen mee aan verschillende praktijkpilots, waarbij ook gekeken wordt naar de invloed van wet- en regelgeving. Daarnaast moeten we alles praktisch goed organiseren: welke afspraken zijn nodig, om welke hoeveelheden gaat het, op welk moment komt er maaisel beschikbaar, wat is de kwaliteit, en hoe houden we de kosten zo laag mogelijk? En niet onbelangrijk: wat is de beste coöperatieve samenwerkingsvorm voor de landbouwers? Dat gaan we de komende periode testen en verder uitwerken,” besluit Peter.